de maakbaarheid van geluk

Het onbehagen in de maatschappij lijkt zich steeds verder te verspreiden. Kankeren op de ander is altijd erg prettig geweest, wij deden dat op het schoolplein ook maar wat graag, het verlichtte de kramp van het stilzitten op de veel te harde stoeltjes, maar dat in deze tijd van ongekende welvaart de onvrede zo’n belangrijke maatschappelijke trend is geworden is op zijn minst opmerkelijk. Dit negativisme kan echter nooit een adequaat antwoord leveren op de veranderingen in de samenleving die de bron van dit onbehagen vormen.
Nu het nieuwe jaar alweer enkele weken op streek is, heeft een enkeling wellicht al teruggekeken op datgene dat men zich ook alweer aan goeds voornam voor dit jaar. Deze voornemens gaan meestal over het verbeteren van de gezondheid, door te stoppen met roken of minder en gezonder te eten, over het beter omgaan met vrienden en familie, of over het beter opkomen voor jezelf. We willen het goede gevoel over die voornemens niet direct bederven, maar de praktijk toont aan dat van deze voornemens meestal niet al teveel terecht komt, zo men er nog bij stil staat.
Hoe komt dat toch, het betreft toch zaken die men zelf in de hand heeft. Aan de ander kan het dus niet liggen. Waarom verdampen zoveel goede voornemens gedurende het jaar? Waren andere zaken dan toch net even belangrijker of was er sprake van ernstige zelfoverschatting?
Nog vreemder is dat de voornemens meestal niet gaan over datgene waar de mensen het meest ontevreden over zijn. Want dat betreft juist vaak de ander. Uit onderzoek van het SCP (2010) blijkt dat 95% van de Nederlanders tevreden is over het eigen leven en de kwaliteit van leven in eigen land, terwijl er een fors en groeiend onbehagen is over de ander. Men ervaart groeiende intolerantie en onverdraagzaamheid en men maakt zich zorgen over agressief en hufterig gedrag in de publieke ruimte en over het toenemend egoïsme. Het merkwaardige is natuurlijk de discrepantie tussen de eigen tevredenheid en de ontevredenheid over de ander. Het zijn altijd de kinderen van de buren die zo vervelend zijn, maar nooit het eigen kroost. De hel, dat zijn nog steeds de anderen.
Als de grootste onvrede zit in de relatie met de ander, dan gaat het natuurlijk ook over jezelf. Want in de relatie tot de ander definieert men zichzelf en wordt men gedefinieerd. Zonder de ander geen identiteit, want zonder spiegel zie je jezelf niet. Als men zich dan toch iets wezenlijks wil voornemen met betrekking tot de ander, dan raakt dat dus aan de eigen identiteit. Want de ander veranderen is lastig, maar je kunt wel je relatie tot die ander, of datgene waar je onbehagen zit, veranderen. 
Opvallend is dat in de hedendaagse samenleving datgene dat je doet in belangrijke mate de identiteit lijkt te bepalen. Vraag een onbekende zich aan je voor te stellen en de kans is groot dat je hoort waar iemand werkt of welk vak wordt uitgeoefend. Ik werk dus ik ben, schreef Rob Wijnberg onlangs niet zonder reden, waarmee hij de tijdgeest omtrent de eigen identiteit, maar ook over de betekenis van werk treffend samenvatte. Aan werk ontlenen wij in deze tijd veel van onze eigenwaarde. Het geeft waardering en, meer basaal, een reden van bestaan. Het plaatst ons in een sociaal netwerk. En al leef je in onmin met je collega’s, de klanten of je baas, ook het conflict bevestigt ons in ons bestaan, er zijn zelfs mensen die er hun bestaansrecht aan lijken te ontlenen.
Het vuur van het onbehagen en de onvrede wordt aangeblazen door de basale onzekerheid die deze tijd van grote transformaties kenmerkt. De zuilen zijn reeds lang verdwenen, er zijn zelfs generaties voor wie dat begrip onbekend is, de dominante financiële en politieke machtssystemen wankelen, het gezag van de politieke elite is tanend, men vreest terroristen onder elke burka en de opkomst van de sociale media splijt de generaties, waarvan de ene helft nog opgroeide in een verticaal georganiseerde samenleving en de jongere generaties zich inmiddels horizontaal via netwerken organiseren. We leven in turbulente tijden, er is een crisis van zekerheden.
Het is dan ook niet vreemd dat er een neiging is om de onvrede op de ander te projecteren. Daarmee blijft datgene waar je nog wel zelf iets mee kunt te overzien. Maar dit is schijn, zoals de vele goedbedoelde voornemens bij de start van het nieuwe jaar zullen uitwijzen. Het is dan ook tijd dat men zich realiseert dat ieder van ons wel degelijk iets kan doen met de onvrede of problemen die we om ons heen ervaren. En dat begint bij onszelf.
Aangezien werk als belangrijke factor wordt beschouwd in relatie tot de eigen identiteit en we een  belangrijk deel van ons bestaan hieraan besteden, ligt het voor de hand om dit thema als topprioriteit te benoemen als het gaat om het bestrijden van het onbehagen en de onvrede. We moeten het gaan hebben over de betekenis van werk in ons leven, over wat nodig is om ons gevoel van eigenwaarde en zekerheid terug te brengen, daar waar die dreigt te verdwijnen. Over hoe de veranderende samenleving zich vertaalt naar de verhouding tussen werk en vrije tijd, over het langzaam maar zeker verdwijnende onderscheid tussen professie en privé.  Je bent wat je doet.
Dit artikel is, kortom, een pleidooi om onder ogen te zien waardoor we ons bedreigd, of ongelukkig of betekenisloos voelen en daarop actie te ondernemen. Vanuit de overtuiging dat dat niet alleen mogelijk is, maar ook van groot belang voor de kwaliteit van onze samenleving.
Dit is een pleidooi dat erop gericht is om de discrepantie tussen de tevredenheid over het eigen leven weer in balans te brengen met de onvrede over de ander. Een pleidooi waarin het vertrouwen in de eigen mogelijkheden voorop staat en niet het wantrouwen jegens anderen, of het nou immigranten, elites of instituties zijn. En dat pleidooi begint gewoon dicht bij huis, bij datgene dat we in ons dagelijks leven doen, waardoor we ons kunnen laten zien in wat we zijn en waardoor we ons tot de ander verhouden. Het dagelijks werk.
Dit is een oproep aan iedereen: aan burgers, politici, elites, beleidsbepalers en stemmingmakers om de energie te richten op de transformaties die nodig zijn om onze samenleving positiever en productiever te maken. Want we kunnen ons verliezen in het schijngevecht tegen de spoken van onze verbeelding, of hard werken aan de condities die wij in dit land scheppen om het menselijk potentieel tot expressie te brengen. Onze voorkeur gaat uit naar het laatste.